Patricide op Parmenides

Het leerdicht

Van Parmenides (5e eeuw BCE) is maar één werk bekend, zijn leerdicht dat waarschijnlijk pas later de titel 'Over de natuur' heeft gekregen. Het leerdicht is alleen fragmentair overgeleverd in citaten van latere commentatoren.

Oorspronkelijk zou het uit drie delen bestaan hebben: een proëmium als inleiding, gevolgd door een sectie over waarheid (aletheia) en tot slot nog een sectie over dwaling (doxa). De aletheia sectie zou vrijwel volledig overgeleverd zijn, van de doxa sectie maar een klein deel.

Al sinds de Griekse oudheid verbazen lezers zich over deze driedeling: als de waarheid al onthuld is, waarom dan nog verzen verspillen aan de dwaling? Dit noemt Jeremy DeLong in zijn IEP artikel over Parmenides ook wel de A(letheia)-D(oxa) Paradox.

Afhankelijk van hoe men de status van aletheia en doxa duidt, variëren de oplossingen van de A-D Paradox van een monistische lezing, alleen de aletheia beschrijft de werkelijkheid, via een twee-aspecten duiding tot aan een modale lezing. Aan de hand van het beeld van het wagenwiel uit het proëmium, wil ik een alternatieve duiding geven.

Het wagenwiel

Het proëmium beschrijft de spirituele reis van een jongeling. In de vertaling van Martinus Nijhoff luiden de eerste regels van het leerdicht:

't Span dat mij voert, nam mij mee, hoever mijn begeerte maar uitging,
na mij te hebben gebracht op den stemrijken weg van de godheid,
die alle woonsteden langs den man van verstand met zich opvoert.
Daarlangs snelde ik voort. Want daarlangs trokken de paarden,
schrander van zin, den wagen, en Maagden strekten tot gidsen.
Gloeiend gierde de as in de kokervormige naven,
want in het paar van de werv'lend draaiende wielen ter weerszij
snelde hij rond, ...

Het beeld van de wagen met twee wielen, waarvan de as gloeiend wordt (aithomenos) en een gierend geluid maakt is meer dan een poëtisch ornament. De as en het wiel drukken de polariteit van het gedicht uit:

Beide modaliteiten zijn nodig voor een functioneel wiel. Een as zonder een naaf is een stok, en een wiel zonder een as is een hoepel.

De vadermoord van Plato

Plato noemt Parmenides in een aantal van zijn teksten en wijdt zelfs een hele dialoog aan hem. In de Sofist moet de Eleatische Vreemdeling expliciet patraloias plegen op 'Vader Parmenides' om het niet-zijn alsnog denkbaar te maken. Die moord is geen verwerping van de beide aspecten, maar Plato zette de functionele eenheid om in een twee-werelden architectuur: de as werd de eeuwige Vormen en het draaiende wiel de vergankelijke Fenomenen, de verschijnselenwereld die 'is en niet is'.

Plato trekt de as uit het wiel, en vervolgens moet de methexis-machinerie helen wat bij Parmenides nog ondeelbaar was.

Nog drie opmerkingen over de receptie bij Plato:

  1. Omgekeerde reis:
    • De jongeling (Parmenides) daalt af naar de chtonische onderwereld (katabasis), waar de Nacht de waarheid spreekt.
    • Plato's gevangene moet uit de grot opklimmen naar de zon.
    • Waarheid uit de diepte werd zo waarheid in de hoogte.
  2. Verzwegen breuk:
    • In de latere dialogen van Plato begint de tweedeling tussen twee werelden te kraken. In de 'Timaeus' voert hij een triton genos in: de chora is noch zijnde, noch wordend.
  3. Geassimileerd kader:
    • De assimilatie van Plato is zo geslaagd, dat ze in de traditie daarna uit het zicht verdwijnt. De twee-wereldenlezing van Parmenides is een geplatoniseerde receptie.
    • De aristotelische traditie formaliseert het verder als substantie en accident.

Heraclitus als opponent

Veel handboeken noemen Heraclitus aan de Turkse kust als opponent van Parmenides van Elea: de stroom van het worden tegenover de stasis van het zijn. Maar dat is een doxografisch artefact. De chronologie laat directe beïnvloeding in geen van beide richtingen toe.

Voor Heraclitus is de wereld geen chaos: de logos regeert de verandering; het vuur brandt en dooft in maten. Bij hem is de verhouding tot de as-en-wielfiguur een kwestie van subordinatie, en geen structurele identiteit.

Parmenides ontkent Heraclitus' harmonie van opposities niet. Hij stelt dat deze tegenstellingen een fundamenteler onderscheid vragen. Heraclitus beschrijft de spanningen in het wiel (boog en lier); Parmenides vraagt waarop het spel van spanningen draait.

Convergentie met Whitehead

De procesfilosofie van Alfred North Whitehead herstelt de eenheid die de platoons-aristotelische traditie uit elkaar trok:

Het modale, dat als noodzakelijk, alles doordringend en nergens zelf actueel is, staat dicht bij Whiteheads 'Creativity as ultimate'. En het ononderbroken bestaan bij Parmenides komt overeen met de objectieve onsterfelijkheid van de 'koppige feiten'.

En tot slot als topologische kanttekening: het modale 'wat-is' is geen centrum, maar een doordringende noodzaak. Dat is verenigbaar met het wagenwiel, waarvan de as via de spaken overal werkt. Maar het is de presocratische herlezing die, door de platoonse assimilatie terug te draaien, het denkterrein herwint waar Whiteheads metafysica zich beweegt.

Gebruikte bronnen

Referenties voor verder onderzoek

Plato-kritisch lezen van Parmenides

Heraclitus rehabiliteren